Wie behoefte heeft aan een steuntje in de rug bij het grootbrengen van kinderen, kan een beroep doen op Buurtgezinnen Rotterdam. Buurtgezinnen koppelt overbelaste gezinnen aan steungezinnen die in de buurt wonen.
‘Je hebt een dorp nodig om een kind op te voeden’ is een vermoedelijk Afrikaanse uitdrukking. Het geeft goed aan dat er meerdere mensen nodig zijn om voor kinderen te zorgen en ze in een veilige omgeving te laten opgroeien. En dat is precies wat Buurtgezinnen Rotterdam beoogt. Esther Audier is de coördinator voor Rotterdam samen met een collega die aan de zuidkant van de stad actief is. Ze woonde jarenlang in het Liskwartier en inmiddels in Schiebroek.
Esther vertelt dat Buurtgezinnen vanuit een simpel idee werkt: “Opgroeien doe je samen. We koppelen gezinnen die overbelast zijn en weinig mensen hebben om op terug te vallen, aan steungezinnen in de buurt. Een steungezin helpt op een manier waarop een buurvrouw, een familielid of een goede vriend dat ook zou doen.” Esther benadrukt dat het niet gaat om professionele hulpverlening, maar gewoon om situaties waarin het ene gezin het andere gezin ontlast. Gezinnen kunnen zichzelf aanmelden, maar bij Esther komen ook hulpvragen binnen via scholen, huisartsen en maatschappelijk werkers.
Gezinnen koppelen
Wie steungezin wil worden maakt eerst kennis met de coördinator die thuis op bezoek komt. Tijdens die kennismaking bespreekt Esther hoe hun leven uitziet, op welk moment in de week ze steun zouden kunnen bieden en welke hulpvragen er bij hen passen. Voor alle volwassenen wordt een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aangevraagd.
Esther kijkt vervolgens wie bij wie past en arrangeert een ontmoeting. Wanneer gezinnen een klik voelen, maken ze samen concrete afspraken voor het contact. Ze starten met een proefperiode van ongeveer twee maanden. De coördinator blijft op de achtergrond betrokken en doet halfjaarlijkse evaluaties.
“Tijdens momenten waarop een kind uit een vraaggezin bij een steungezin over de vloer komt, is het normale het speciale”, vertelt Esther. “Een kind komt gewoon een poosje spelen, stoeien met de hond, een nachtje logeren of lekker buitenspelen. Het gaat dus niet om de grootste dingen, maar vooral om liefde en aandacht. Twee keer in de maand contact is het minimum, zo kunnen kind en buurtgezin een goede vertrouwensband opbouwen.
Voorbeelden uit onze wijken
Esther heeft zowel voor de vraaggezinnen als voor de steungezinnen een advies. “Het is belangrijk dat gezinnen die een steuntje in de rug kunnen gebruiken niet te lang wachten met hun hulpvraag. Mensen vragen zich al gauw af ‘is mijn situatie wel erg genoeg om steun te vragen?’. Het gaat er bij preventie juist om dat je er op tijd bij bent. Voorkom dat de situatie je boven het hoofd groeit.” En als het gaat om de steungezinnen: “Maak het idee van steun geven niet te groot. We maken matches naar draagkracht en je kunt al met een paar uurtjes wat betekenen voor een ander.”
Esther geeft verschillende voorbeelden: “In Liskwartier gaat een Eritrees jongetje iedere woensdagmiddag een paar uurtjes bij zijn steungezin spelen en leert zo spelenderwijs de Nederlandse taal. In Bergpolder komt een jongen een weekend in de maand logeren bij een steungezin waarvan de jongens op dezelfde club voetballen. Zo heeft hij een gezellige tijd en wordt zijn moeder ontlast. In Blijdorp is een stel zonder kinderen gekoppeld aan een alleenstaande moeder met drie kinderen. De twee zusjes uit het gezin komen twee keer in de maand samen bij hen spelen.”
Esther, die al meer dan 45 matches heeft mogen maken, doet het werk bijna drie jaar met veel plezier: “Het leuke van mijn werk is dat ik heel veel lieve mensen ontmoet die in het kleine, alledaagse, iets goed willen doen voor een ander.”
Esther kan nog wel wat buurtgezinnen gebruiken. Wie ook iets goeds wil doen voor een ander of juist een steuntje in de rug kan gebruiken, kan zich melden op de website www.buurtgezinnen.nl/rotterdam
Met de buurt-nana naar de volkstuin
Er zijn niet alleen buurtgezinnen actief, maar ook buurtoma’s. Een goed voorbeeld is de 75-jarige Belinda Tahapary die één keer in de week twee meisjes opvangt van zes en acht jaar oud. De meisjes komen uit een gezin uit Bangladesh dat met vier kinderen op een bovenwoning woont in Liskwartier.
Belinda vertelt dat ze van Esther Audier hoorde dat twee zusjes een opa en oma nodig hadden: “Zo is het vorig jaar begonnen. Mijn man en ik haalden de kinderen op uit school, daarna werd er geluncht en gespeeld. Ik heb nog boekjes, schilderspullen en Playmobil in huis van mijn kinderen en kleinkinderen. Daarna brachten we ze aan het eind van de middag weer thuis. Nadat mijn man overleed heb ik een pauze ingelast, maar inmiddels komen ze weer. Mijn man was ‘dada’ (opa) en ik ben ‘nana’ (oma). In de zomervakantie komen ze vaker. Ik heb een volkstuin en daar kunnen ze heerlijk buitenspelen.”
De zusjes komen altijd met zijn tweeën en Belinda weet uit eigen ervaring hoe belangrijk dat is. “Ik heb in mijn jeugd zelf een tijdje bij een pleeggezin gelogeerd en wij werden tot ons verdriet uit elkaar gehaald.” De kinderen hebben het bij haar naar hun zin, maar ook nana geniet van het samenzijn. “Het is een verrijking om buurtoma te zijn. En onderschat niet wat je als opa en oma te bieden hebt, waaronder rust en geduld.”

