‘Op bevel van de Duitse weermacht moeten alle mannen in de leeftijd van 17 t/m 40 jaar zich voor de arbeidsinzet aanmelden. Op hen die pogen te ontvluchten of weerstand te bieden, zal worden geschoten.’ Met dit bevel begonnen de Duitsers op vrijdag 10 en zaterdag 11 november 1944 een grootscheepse razzia in Rotterdam, waarbij jonge Rotterdamse mannen gedwongen werden weggevoerd om te gaan werken in Duitsland. Wijken werden daarvoor ‘s ochtends vroeg hermetisch afgesloten.
Ook de mannen uit onze wijken waren de klos en konden dit lot vaak niet ontlopen, hun dierbaren in grote angst en onzekerheid achterlatend.
Hans Ruizeveld (90) was in 1944 een jongen van 8 jaar en woonde in De Savornin Lohmanlaan in Bergpolder, als enig kind met zijn ouders. Hij vertelt hoe hij het wegvoeren van zijn vader heeft beleefd.
“Mijn vader Jan Ruizeveld was 37 jaar toen de razzia plaatsvond. Hij was een grossier in levensmiddelen voor de kruideniers in de wijk. Zijn bedrijf zat in de Rodenrijsestraat 13 op de begane grond; op de eerste verdieping boven de zaak woonde zijn moeder, mijn oma.
In de vroege ochtend van zaterdag 11 november hoorde ik veel geschreeuw in de straat en harde bonken op de deuren. Woning voor woning gingen Duitse soldaten bij de huizen naar binnen. Alle mannen werden gesommeerd om naar buiten te gaan. Mijn moeder deed de deur open. Het koffertje van mijn vader stond bij de voordeur al klaar. Twee Duitse soldaten kwamen naar binnen en maanden mijn vader naar buiten. Mijn vader trok zijn jas aan en liep met zijn koffer naar buiten. Voor een emotioneel afscheid was geen tijd, hij verdween gewoon, terwijl de soldaten in onze woning nog naar andere mannen zochten. Ik stond midden in dit gebeuren.
De paniek en stress was goed voelbaar in de straat. Veel geroep en geschreeuw, overal chaos, alles liep door elkaar, veel huilende moeders en kinderen. ‘Wat gaat er allemaal gebeuren?’. Tientallen mannen uit onze straat, onder wie ook bekende buurmannen, moesten zich verzamelen op het grasveld in het midden van de straat. Samen met honderden andere mannen uit omliggende straten werden ze daarna door de Duitsers richting de Bergselaan gedreven. Waar ze precies naartoe gingen, dat wisten we niet.
Toen de mannen de straat uit waren gelopen, was de straat ineens helemaal leeg en was het heel stil, heel onwerkelijk. Mijn moeder stuurde me direct naar mijn oma in de Rodenrijsestraat, om haar te vertellen dat haar zoon was weggevoerd. Ik rende de deur uit richting de Berkelselaan waar ik op de hoek rechtsaf sloeg. Al rennend zag ik onder de Hofbogen plots twee Duitse soldaten achter een mitrailleur liggen. Ik schrok, stond gelijk stil en realiseerde me de ernst van de situatie. Heel langzaam wandelde ik langs de soldaten tot aan de Bergsingel; daar durfde ik weer hard verder te rennen.
Mijn oma reageerde geschrokken en verdrietig. Ze had gehoopt dat mijn vader vanwege zijn werk een vrijstelling had kunnen krijgen.
Met ruim 3000 andere mannen uit Bergpolder, Blijdorp en Provenierswijk bleek mijn vader te zijn weggevoerd naar het Nenijto sportterrein op de Bentincklaan. In de loop van de dag ging de groep van mijn vader lopend via de Walenburgerweg, Bergweg, Straatweg en Le Fèvre de Montignylaan, over de Irenebrug, Terbregseweg naar Gouda. Mijn vader vertelde me later dat ze in Gouda in een kerk moesten overnachten en dat hij ‘de zachtste grafsteen in de kerk had opgezocht om op te slapen’.
‘Waar gaat die hoed heen?’
De volgende dag liepen ze in guur najaarsweer – met vrijwel onafgebroken regen en een temperatuur van 6 graden – tientallen kilometers verder naar Utrecht waar ze in een legerkazerne zouden overnachten. Toen de colonne door het centrum van Utrecht liep, stonden veel bewoners langs de kant van de weg naar de stoet mannen te kijken. Mijn vader liep aan de buitenkant van de groep en stapte plots uit de groep. Hij probeerde onopvallend tussen het kijkend publiek door te ontsnappen. Binnen no time werd hij weer uit het publiek gesleurd, terug de groep in. Mijn vader was lang, zeker voor die tijd, 1.80 meter. Ook droeg hij een mooie Fedora hoed. Een Duitse soldaat die met een geweer achterin de groep liep, had waarschijnlijk die lange man met hoed er steeds bovenuit zien steken, miste hem ineens, maar had hem ook weer snel in de smiezen. Hij zal wel gedacht hebben: ‘Waar gaat die hoed heen?’.
Mijn moeder Miep was toen 36 jaar oud en zat ‘diep in het verzet’. De dag na de razzia was ze op de fiets op zoek gegaan naar mijn vader. Ze bleef enkele dagen weg, maar kwam zonder mijn vader terug.
De weken na de razzia woonde ik bij mijn oma in de Rodenrijsestraat. Het leven ging ‘gewoon’ door. Over het lot van mijn vader was in die weken niks bekend; mijn vader was weg, mijn moeder vaak ook.
Ik sliep in die tijd bij mijn oma in bed, op de plek van mijn overleden opa, in de tussenkamer. In de week voor kerst hoorde ik ‘s ochtends vroeg, het werd net licht, gestommel in de voorkamer van het huis. Toen zag ik daar plots een silhouet van iemand die ik direct herkende. In een tel sprong ik omhoog, over of misschien wel op mijn oma, zo het bed uit en hing gelijk om de nek van mijn vader. Ik was zó blij dat ik hem weer zag.
Op de derde dag na de razzia had mijn vader toch weten te ontsnappen aan de Duitsers. Volgens de overlevering was hij door mijn moeder, die hem wel degelijk had teruggevonden, uit de colonne getrokken. Hij was daarna ondergedoken bij een boer in Barneveld. Met hulp van het verzet kon hij enkele weken later, midden in de nacht, met een vrachtwagen terug naar Rotterdam, waar onze blijde hereniging volgde.
In de maanden tot aan de bevrijding kwam mijn vader amper buiten uit angst weer opgepakt te worden. Hij had in ons huis in de Savornin Lohmanlaan een schuilplek gemaakt, een loze ruimte onder de trap naar de eerste etage, die alleen via de kruipkelder was te bereiken. Deze schuilplek bestaat nog steeds.”
In totaal werden 52000 Rotterdamse mannen bij de razzia onder dwang opgepakt en weggevoerd. De meesten van hen werden, in vaak erbarmelijke omstandigheden, tewerkgesteld in werkkampen in Duitsland, 500 mannen overleefden het niet.
Op 10 november 2026 zal op de Parkkade bij het razziamonument de jaarlijkse herdenking van de razzia plaatsvinden, vanaf 15 uur.

