In februari presenteerde Benny Lindelauf in Studio de Bakkerij Het licht tussen onze vingers. Voor de kinderboekenschrijver die al vijfentwintig jaar in het Liskwartier woont, is dit zijn eerste boek voor volwassenen.
Het verhaal begint met een man die ondersteboven in een eik hangt met een ooievaarskuiken in zijn hand; eronder is een gietijzeren hek met punten. Je begrijpt niet hoe hij hier terecht is gekomen, maar aan het eind van het boek lijkt het volkomen logisch dat hij daar hangt. De man heet Walter, hij is rijinstructeur en voor langere tijd door de bedrijfsarts naar huis gestuurd. Walter laat zijn vrouw hiervan niets weten en gaat als vrijwilliger werken bij een ooievaarsopvang. Hun verstoorde relatie heeft alles te maken met een verongelukte zoon. Het stel woont in een oude wijk, hun huis staat op het punt gesloopt te worden.
Een gietijzeren hek
“De aanleiding voor het boek was een radiodocumentaire van de VPRO over een jongen die vermist raakte tijdens een skivakantie. Eerst heb ik vanuit zijn perspectief het verhaal geschreven, later heb ik het herschreven vanuit de moeder, maar ik kwam tenslotte uit bij Walter. Ik wist toen dat het een boek voor volwassenen moest worden”, vertelt Benny.
“Zo gaat het vaker. Ik heb een idee en dat krijgt langzaam vorm; elk boek heeft een eigen stem. Hoe Tortot zijn vissenhart verloor speelt in de oorlog en heeft een hele rijke stijl, barokachtig. Het verhaal van Het licht tussen onze vingers is juist heel gebonden. Ik wilde met minimale middelen zoveel mogelijk vertellen. Als je de eerste versie met de laatste versie vergelijkt, dan is dat een wereld van verschil. Ik leg laag op laag. Het is een vorm van beroepsdeformatie. Zelfs als ik een email schrijf, haal ik woordjes weg terwijl het gewoon een email is.
Zo is het hek uit de openingsscène later een gietijzeren hek geworden. Maar ik heb dat hek ook gezien toen ik twee weken vrijwilligerswerk deed op een ooievaarsstation in Drenthe. Daar lag eigenlijk het meeste goud; die twee mensen van in de tachtig die dat ooievaarsstation runnen. Daarmee schep ik vervolgens een eigen wereld. De buurt waar het echtpaar woont is gebaseerd op een buurt in Limburg die werd afgebroken, maar ik noem in de roman geen plaats- of straatnamen.”
Overlevingsstrategie
“Toen ik besloten had dat ik vanuit Walter ging schrijven, kroop ik in zijn huid. Hoe langer je met een personage bezig bent hoe meer dat een bijna fysiek iemand wordt. Ik vond het een spannend gegeven, zo’n man die alles onder controle houdt en die niet voor niks rijinstructeur is. Het begint bij een spastisch been. Ik wist dat hij een reis moest ondergaan en dat hij zich moest losschudden van wie hij was.
Walter vindt een ooievaarskuiken waarvan hij denkt dat het dood is, maar dit is een overlevingsstrategie, akinesie: ‘de toestand waarin een dier zich levenloos houdt, zodat roofdieren denken dat het dood is en het met rust zullen laten.’ Dit zie je ook bij Walter. Hij is op non-actief gezet en doet daar niets mee, hij reageert niet op aangeboden huizen en praat niet met zijn vrouw over hun zoon. Ooievaars zorgen overigens heel goed voor hun jongen, maar een kuiken kan ook zomaar worden verstoten als er te weinig voedsel is.
Walter maakt een ontwikkeling door, maar het mooie van een roman is dat de antwoorden die hij vindt – net als in het echte leven – niet eenduidig zijn. Enerzijds leert hij zichzelf beter kennen, anderzijds raakt hij dingen kwijt en kan hij niet meer naar terug naar zijn oude leven. Het is niet negatief of positief, een beetje zoetzuur. Ik hou daar wel van, het is aan de lezer om dat verder in te vullen.
Rotterdammer
“Ik kom oorspronkelijk uit Zuid-Limburg. De aard van de Rotterdammer is wezenlijk anders dan die van de Limburger: Rotterdammers zijn veel directer. Ik voel mij geen Rotterdammer, maar ben wel een Rotterdamse schrijver omdat ik hier woon. Rotterdammer-zijn is zelden onderwerp van gesprek. Dat heeft ook te maken met wie ik als schrijver ben. Ik hoef het niet over mezelf te hebben, of over de stad waar ik woon. Ik ben meer op zoek naar waar ik me in kan verplaatsen. Schrijven is voor mij een ontsnapping aan de realiteit. Ik zoek via de verbeelding naar werelden waar ik niet ben.”

