“Ik heb het een plek gegeven”

In de Bisschopstraat zijn vorig jaar oktober twee struikelstenen gelegd voor Herman Keizer en Roosje Keizer – Levie. Zij werden in 1943 uit dit huis afgevoerd door de Duitsers en in Auschwitz omgebracht. Allebei 37 jaar oud en Joods. Hun dochter Heddy, toen 5 jaar, was toevallig niet thuis en overleefde de oorlog. Hoe kijkt ze daar, nu 87 jaar oud, op terug? 

Januari, ijzig koud buiten. Ik zit bij Heddy thuis aan tafel met een pot thee en chocolaatjes. Ze zegt meteen dat ze niet veel weet over toen. Wel dat de buren haar ouders vaak zagen langslopen, altijd hand in hand en verliefd.
Heddy: “Ik was niet thuis op die dag in 1943. Ik logeerde bij mijn oom en tante in Den Haag. Zij moesten onderduiken, hun dochtertje ging naar haar grootouders. Een kind van twee erbij lukt wel, maar niet ook nog één van vijf.”

Drie onderduikadressen
“Elke keer als dezelfde mevrouw kwam, bracht ze me naar een ander adres. Eerst in Utrecht, bij een ouder echtpaar, heel lief en aardig. ‘Oom Hein’ maakte een poppenbedje voor mij met gordijntjes. Ik herinner me een jong katje, geweldig. Maar ik werd daar verraden. Al het speelgoed met een noodgang weg. Ik ook.

Naar Valkenburg, in een gezin met kinderen. Het was niet zo fijn daar. Als er bezoek kwam moest ik in het bad slapen. Ik beet nagels en dan kreeg ik erg op mijn kop. Na de bevrijding stond mijn oom ineens onderaan de trap op het derde adres in Heerlen. Ik zei als eerste: ‘Dag oom Ies’. Ik was zeven jaar. De reis naar Den Haag was heftig. Liftend en wagenziek heb ik alles onder gespuugd.”

Na de oorlog  
“Ies (Izak) Keizer was een broer van mijn vader. Ik ben door hem en zijn vrouw Bea geadopteerd. Zij waren voor mij echte ouders en mijn twee jaar jongere nichtje was mijn zusje. Van mijn beide families overleefde bijna niemand. Daar werd niet veel over gezegd. Als dat wel gebeurde, huilde ik tranen met tuiten. Ze waren daar een beetje bang voor. Want als ik eenmaal begon kon ik niet meer ophouden. Ik weet niet waarom.”

 Familiegeschiedenis
“Zo’n tien jaar geleden attendeerde iemand me op het Digitaal Joods Monument. Ik raakte nieuwsgierig, ging dingen opzoeken. Na het overlijden van mijn man zocht ik afleiding, ik volgde vorig jaar een cursus Genealogie. Zo ontdek je een heleboel dingen. Opa Andries Keizer had nog vijf broers en zussen. Nooit geweten dat hij zo’n belangrijke man in de Rotterdamse liberale Joodse gemeenschap was. Het verhaal gaat dat hij mij trots aan de hand meenam naar de synagoge.” 

Blijdorp
Heddy woonde tot haar vijfde in de Bisschopsstraat. Ze herinnert zich dat ze links van de voordeur sliep. In de portieken ving ze groene rupsjes in een jampotje. Ze mocht de straat niet uit, want “daar hield de wereld op”. Vaag ziet ze haar moeder in de keuken gehaktballetjes maken. Haar vader was koopman. De familie Levie woonde vroeger aan de Stationssingel en opa en oma Keizer in de Nolensstraat. 

Struikelstenen
In april 2025 was Heddy bij de plaatsing van de struikelsteen voor haar neefje Driesje in Oss. Het maakte indruk. Driesje zat destijds ondergedoken bij zijn oom, werd verraden en met zijn moeder herenigd in kamp Westerbork. Hij werd slechts drie jaar. 

De struikelstenen voor haar opa en oma in de Nolensstraat liggen er sinds 2022. Ze zijn aangevraagd door de toenmalige bewoners.
“Ik besloot snel twee struikelstenen voor mijn ouders in de Bisschopstraat aan te vragen. Want ja, op een bepaalde leeftijd ben je in feite een mens van de dag.”

Bijzonder 
“Wat ik bijzonder vond was dat die aanvraag zo snel ging en ik er zelf bij kon zijn. Ook dat ik die bewoners van de Nolensstraat ontmoette. Ik ben echt blij dat de hele familie erbij was, met (achter)kleinkinderen, toch vier generaties.

Hoe het voelt dat in Rotterdam twee stenen voor mijn ouders liggen? Voldaan. Het geeft rust, het is een soort afsluiting van iets. Of ik het bijna letterlijk een plek heb gegeven. Ja, toch wel, letterlijk en figuurlijk.” 

Jopie
“Ik weet nog dat die mevrouw van de onderduikadressen een pop meebracht. Voor mij, van mijn ouders. ‘Dat kan niet, die zijn dood’ zei ik. Jaren later zie ik Hanneke Groenteman op televisie met diezelfde pop in haar kamer. ‘Daar zit Jopie!’ riep ik. Mijn man zei ‘Bel op’, daar begon ik niet aan. Drie jaar geleden, met mijn oudste zoon in het Holocaust Museum in Jeruzalem, zie ik weer dezelfde pop. Was die pop toen misschien ‘gewoon’? Of werden ze uitgedeeld aan ondergedoken kinderen?”